Rechtbank Den Haag oordeelt dat de rente op een rekening-courantvordering deels oninbaar is. Voor de aandelenoverdracht en de lagere waardering van onroerende zaken krijgen de erven geen gelijk.
Een erflater heeft in 2017 rekening-courantvorderingen op meerdere bv’s waarin hij belangen houdt. Ook draagt hij alle aandelen in C bv voor € 1 over aan Stichting B, waarvan hij enig bestuurder is. Verder bezit hij in privé drie onroerende zaken. In zijn aangifte ib/pvv 2017 neemt hij geen rente-inkomsten op voor de rekening-courantvorderingen, omdat de rente volgens hem niet inbaar is. Ook geeft hij de onroerende zaken aan voor lagere waarden dan de WOZ-waarden. De inspecteur corrigeert de rente, weigert een vervreemdingsverlies uit aanmerkelijk belang en verhoogt de box 3-waarden van de onroerende zaken. In geschil is of de aanslag ib/pvv 2017 te hoog is vastgesteld.
Rente op F bv deels oninbaar
De rechtbank stelt voorop dat bij een onzakelijke lening ook de rentevordering moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer op het moment dat de rente verschuldigd wordt. Voor D bv en E bv maken de erven niet aannemelijk dat de rentevorderingen minder waard zijn dan de bijgeschreven rente. Deze vennootschappen hebben volgens de rechtbank nog voldoende activa of betalingsmogelijkheden. Voor F bv ligt dat anders. F bv heeft een negatief eigen vermogen, nauwelijks liquide middelen en geen toereikende middelen om de volledige rente te betalen. De rechtbank stelt de waarde van de rentevordering daarom op € 1.986. De correctie voor de rente op de rekening-courantvordering op F bv vervalt daardoor voor € 1.176.
Geen lager ab-verlies of box 3-waarde
Voor de overdracht van de aandelen C bv aan Stichting B maken de erven geen vervreemdingsverlies uit aanmerkelijk belang aannemelijk. De inspecteur betwist gemotiveerd dat de aandelen geen positieve waarde hebben, onder meer omdat C bv deelnemingen bezit waarin waarde wordt gecreëerd. De erven geven geen berekening of inzicht in goodwill en stille reserves. Ook maken zij niet aannemelijk dat de waarde in het economische verkeer van de drie onroerende zaken lager is dan de WOZ-waarde. Berekeningen volgens de NAR-methode en huurwaarde-kapitalisatiemethode zijn onvoldoende onderbouwd. Het beroep op een compromis uit 1999 voor een van de panden slaagt evenmin, omdat dit geen toezegging bevat voor 2017. De aanslag wordt alleen verminderd wegens de rentevordering op F bv.
Bron @Taxence.nl